Woensdag 7 februari 2024 in de Tweede Kamer werd een (kort) debat gevoerd over een motie van het lid Stoffer (SGP) die reeds één jaar eerder met een kamermeerderheid werd aangenomen. De motie spoorde het kabinet aan om NIET te wachten tot medio 2025 om de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) dan pas geëvolueerd te zien.
De kamer wenste toen reeds dat er snel werk gemaakt zou worden van een evoluatie die als doel zou hebben gehad om het onderstaande gerealiseerd te zien:
Voorzitter. Het is alweer een jaar geleden dat de motie-Stoffer is aangenomen waarin de minister is verzocht om te verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek nadere vereisten aan representativiteit gesteld moeten worden. We zijn een jaar verder en van uitvoering van deze motie is nog geen sprake. De minister verwijst voor een vervolg naar een evaluatie van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie in 2025. Waarom, zo vraag ik de minister, dit traineren van een verzoek van de Kamer? Bestaat er een gerechtvaardigde verwachting dat indien de motie uitgevoerd zal worden en er een verkenning plaats zal vinden, de conclusie zal moeten worden getrokken dat deze verkenning leidt tot een aanscherping van de representativiteitsvereisten? Een verzoek om een verkenning naar nadere vereisten met het oog op de representativiteit hoeft niet direct een inperking van de toegang tot de rechter te betekenen. Erkent de minister dat een juridisch debat mogelijk moet zijn over eventuele aanscherping, zonder meteen te suggereren dat een aanscherping belangrijke pijlers van de democratische rechtsstaat aantast?
Om de minister in beweging te brengen, dien ik de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het ondernemen van juridische acties door belangenorganisaties op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek mogelijk is vanuit specifieke belangen, met grote consequenties voor het algemeen belang, terwijl de representativiteit van deze organisaties buitengewoon gering kan zijn;
constaterende dat de aangenomen motie-Stoffer c.s. (36169, nr. 37) over het verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a BW nadere vereisten aan representativiteit gesteld moeten worden, tot op heden niet is uitgevoerd;
verzoekt de regering de motie-Stoffer c.s. (36169, nr. 37) over het verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a BW nadere vereisten aan representativiteit gesteld moeten worden, uit te voeren, en de Kamer binnen zes weken over de verkenning te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Eerdmans, Helder en Ellian. Zij krijgt nr. 41 (36169).
Een belangrijk vraagstuk over drempels of ander maatwerk inbouwen is legitiem; immers zeer kleine groepje burgers kunnen via een stichting bij een rechter vervolgens winnen om dan een groep van de overgebleven 99% van de bevolking met het arrest op te zadelen in de vorm van gewijzigd politiek beleid dat hen maatschappelijk, cultureel of financieel zou raken
Powered By EmbedPress
Powered By EmbedPress
Sinds ruim 20 jaar is een verdrag aan te wenden die burgers (meestal via het oprichten van een stichting/vereniging) ruimte biedt om:
Het Verdrag van Aarhus geeft leden van het publiek (individuen en verenigingen die hen vertegenwoordigen) het recht op toegang tot informatie en inspraak bij besluitvorming over milieuaangelegenheden, en om verhaal te halen indien deze rechten niet worden gerespecteerd.
Toegang tot informatie, inspraak van de bevolking en toegang tot de rechter in milieuzaken (Verdrag van Aarhus) naar eur-lex.europa.eu/NL
Deel reactie Minister voor Rechtsbescherming Weerwind (hierboven rechts gedeeld):
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen van de fracties van VVD, D66, CDA, PvdA/GroenLinks, SGP en JA21 naar aanleiding van mijn reactie op de motie van het lid Stoffer c.s. over verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW) nadere vereisten aan representativiteit gesteld moeten worden